In 2014 ondervroegen David Veale en collega's 1,160 Britse mannen over tevredenheid met hun maat. Vijfenveertig komma zes procent van degenen die binnen het normale medische bereik vielen — ruim binnen één standaardafwijking van het gemiddelde — was ontevreden.¹ Veertien komma twee procent voldeed aan de klinische drempel voor wat onderzoekers Small Penis Anxiety (angst voor een kleine penis) noemen.²
Dit is geen informatieprobleem. Angstcircuits schakelen niet uit wanneer u ze bewijs toont; ze zoeken naar bevestigend bewijs en negeren de rest. De cognitief-gedragsmatige literatuur over lichaamsbeeld is hierover duidelijk. Net als de praktijkervaring van artsen die programma's voor peniele dysmorfie uitvoeren.
Gemiddelde mannen maken zich net zoveel zorgen als kleinere mannen. De correlatie tussen maat en zorgen is r = 0.08 — statistisch niet te onderscheiden van nul. Veale, 2019 — Body Image · n = 102 RCT
Waarom het kennen van uw maat de zorgen niet stopt.
Angst over de penisgrootte is een psychologisch patroon, geen gebrek aan informatie. De angstcircuits in uw brein schakelen niet uit alleen omdat u data ziet. Drie denkfouten houden de cyclus draaiende:
- Cognitieve bias. Negatieve overtuigingen wegen zwaarder dan positief bewijs.
- Sociale vergelijking. We vergelijken met extremen — porno, kleedkamers, grappen — niet met gemiddelden.
- Bevestigingsbias. We merken bewijs op dat onze angsten bevestigt en negeren de rest.